Skip to content

Ondersteunde communicatie en zintuigenverhalen

Bij zintuigenverhalen gebruik je ondersteunde communicatie. Zo lees je voor met bijvoorbeeld gebaren, foto's of pictogrammen. Sommige communicatievormen zijn makkelijker te begrijpen en minder vluchtig dan gesproken taal. Dit helpt bij het begrijpen van het zintuigenverhaal.

Communicatievormen

Bij het voorlezen van een zintuigenverhaal kies je voor de communicatievorm(en) die de persoon in de dagelijkse praktijk gebruikt. Voeg eventueel een extra communicatievorm toe die de persoon aan het leren is. Als je niet weet welke communicatievorm(en) de persoon gebruikt, vraag dit dan na bij de betrokken logopedist of communicatiedeskundige.  

Voordat je een zintuigenverhaal gaat voorlezen, leg je het verhaal met de bijbehorende communicatievorm(en) klaar. Je kan de foto’s of picto’s in het verhaal verwerken voordat je het print en lamineert of in een ringbandmap stopt. Op deze manier kun je het verhaal per pagina tonen tijdens het voorlezen. Je kunt de fotos of picto’s ook afzonderlijk uitprinten en deze bijvoorbeeld op tafel laten liggen. Zo kun je ze pakken, dichtbij brengen, onder een praatknop bevestigen of ergens opplakken.

Foto's

Het leukst in een zintuigenverhaal zijn jullie eigen foto’s! Zo wordt het helemaal jullie verhaal. Lukt dat niet, kies dan voor foto’s die duidelijk zijn en niet teveel details hebben.

Voor sommige mensen aan wie je voorleest is het belangrijk dat de foto van een voorwerp zoveel mogelijk hetzelfde is als het voorwerp wat je ook bij het verhaal gebruikt. Maar soms kan dat niet. Bijvoorbeeld bij de foto van de echte regen (zoals in het verhaal ‘Lynn gaat naar buiten’) kun je als voorwerp een plantenspuit gebruiken.

Praatknop

Op een praatknop kun je een boodschap inspreken.

Met 1 druk op de knop kun je deze boodschap laten afspelen. Ook tijdens het voorlezen van zintuigenverhalen kun je praatknoppen inzetten. Op deze manier betrek je de persoon actief bij het voorlezen. Voorbeelden van boodschappen die je zou kunnen inspreken:

“volgende bladzijde”
“nog een keer”
“ja” en “nee” met 2 praatknoppen
“nu ik?” en “nu jij”
“stop” of “klaar” en “ga door”
“help”
De naam van de persoon die wordt voorgelezen of de naam van de persoon waar het verhaal over gaat.

Pictogrammen

In het zintuigenverhaal kun je pictogrammen verwerken. Let goed op dat dit het type pictogrammen is wat iemand al kent. Zo zijn er bijvoorbeeld gekleurde symbolen (PCS, Symbolstix) of zwart-wit pictogrammen (Sclera, Visitaal).

Soms zijn er adviezen of het juist pictogrammen van de handeling of van het voorwerp moeten zijn. Een combinatie van pictogrammen en foto’s kan ook zinvol zijn, omdat iemand dan kan leren dat de foto en pictogram hetzelfde betekenen. Ook hierbij: vraag de logopedist of communicatiedeskundige om advies!

Spraakcomputer

Ook als iemand communiceert met een spraakcomputer kun je dat verwerken in het voorlezen van het zintuigenverhaal. Zorg ervoor dat iemand ruim genoeg woorden (vocabulaire) in de spraakcomputer heeft staan. Denk daarbij natuurlijk ook aan woorden die horen bij het zintuiglijk ervaren, het samen plezier maken en het lezen van het verhaal. Vraag de betrokken logopedist of communicatiedeskundige zo nodig om tips!

Communicatiekaart

Bij een aantal zintuigenverhalen is een communicatiekaart of taalactiviteitenkaart (TAK) gemaakt met pictogrammen die aangewezen kunnen worden tijdens het voorlezen.

Een taalactiviteitenkaart is uitgebreider dan alleen het aanbieden van 1 picto. Op deze kaart staan namelijk meerdere picto’s passend bij het verhaal. Zo staan er zelfstandig naamwoorden in (bijvoorbeeld zon, zwembad en handdoek) maar ook werkwoorden (bijvoorbeeld zwemmen, afdrogen en voelen), lidwoorden en voorzetsels (bijvoorbeeld in, uit). Op deze manier kun je ook korte zinnetjes aanwijzen passend bij het verhaal. Je kunt een taalactiviteitenkaart uitprinten, lamineren en op tafel leggen tijdens het voorlezen van het zintuigenverhaal.

Gebaren

Veel mensen met communicatieproblemen gebruiken gebaren of hebben gebaren nodig om taal te kunnen begrijpen. Het inzetten van ondersteunende gebaren kan helpen om de aandacht te vangen en ondersteunt de gesproken taal. En het kan jou als voorlezer ook helpen om meer expressief voor te lezen.

Als degene aan wie je voorleest slechthorend of doof is, kan het ook nodig zijn om met gebarentaal te communiceren.
Meer over ondersteunende gebaren en gebarentaal vind je via onderstaande link.

Tips voor ondersteunde communicatie

Aankondiging van activiteit

Kondig de voorleesactiviteit aan met de verhalenbox zelf, het verwijzersvoorwerp, een foto/picto of het communicatie ondersteunend liedje.

Aanbod communicatievormen

Houd tijdens het voorlezen de volgorde van het verhaal aan en kijk vooraf per pagina hoe en met welke communicatievorm je de communicatie gaat stimuleren. Bied communicatievormen telkens als je het verhaal opnieuw voorleest op dezelfde manier aan. Zo komt er herkenning en meer eigen initiatief.

Het belangrijkste is een prettig moment van interactie. Kies daarom een manier die bij jullie past. Leg de lat niet te hoog als je net start met voorlezen.

Aanbieden van meerdere communicatievormen tegelijk

De combinatie van het aanbieden van verschillende communicatievormen kan iemand helpen om het verhaal beter te begrijpen. Het is belangrijk goed te blijven kijken naar de persoon. Het stimuleren van meerdere zintuigen en het aanbieden van meerdere communicatievormen kan overweldigend zijn en te veel informatie geven in één keer. Je merkt dan dat iemand zich terugtrekt, vluchtig wordt of bijvoorbeeld de voorwerpen weg duwt of gooit. Maak dan een keuze in wat je aanbiedt. Dit kan per voorleesmoment verschillen.

Bied communicatievormen één voor één aan. Zo geef je de persoon verwerkingstijd. Lees bijvoorbeeld eerst de zin voor in combinatie met het gebaar en biedt daarna pas het voorwerp en de ervaring aan. Herhaal tijdens het ontdekken de zin of de belangrijkste woorden/gebaren.

Generaliseren naar dagelijkse situaties

Gebruik de communicatievormen die je hebt gebruikt tijdens het voorlezen ook in soortgelijke alledaagse situaties. Doordat je de concepten in deze activiteiten laat terugkomen, kunnen de begrippen herkend en op eigen initiatief toegepast worden en kan het verhaal de volgende keer nog meer inhoud krijgen.

Tempo

Pas je tempo aan. Ga niet te snel, blijf kijken naar de persoon en wat deze zelf aangeeft. Een wachtmoment geeft de persoon de mogelijkheid om dat wat je hebt aangeboden te verwerken en om zelf initiatief te nemen in de communicatie.

Voordoen (modelleren)

Bij het gebruik van verschillende communicatievormen is het belangrijk dat ook jij communiceert met deze vormen. Bij een gebaar of gesproken woord is dat vanzelfsprekend. Bij en picto, voorwerp of foto niet altijd. Goed voorbeeld doet volgen. Wijs zelf ook op de picto’s of foto’s die je aanbiedt en wijs bij gebruik van een taalactiviteitenkaart de woorden die je voorleest aan. Dit kunnen ook zinnetjes zijn die je op volgorde van voorlezen aanwijst. Dit noemen we modelleren.

Uitlokken van communicatie

Lok communicatie uit door…

…niet meteen hulp te bieden maar af te wachten.
…gebruik te maken van je intonatie, bijvoorbeeld bij het stellen van een vraag.
…zelf bewust iets fout te doen.
…om de beurt iets te doen.
…de ander vragend aan te kijken.
…korte en duidelijke vragen te stellen.
…je tempo aan te passen, wachtmomenten in te lassen.

Meer weten over ondersteunde communicatie?

Binnen Deelkracht zijn een aantal e-modules gemaakt over ondersteunde communicatie. Ook kun je live workshops volgen over ondersteunde communicatie. Wil je meer hierover weten? Klik dan hieronder.